Uitgeverij Cossee B.V. Amsterdam
Ik heb vader naar boven gedaan. Het bed heb ik uit elkaar gehaald, nadat ik hem in een stoel had gezet. Hij bleef in die stoel zitten als een kalf van een paar minuten oud, nog voor het schoongelikt is; met een ongestuurd wankelend hoofd en ogen die zich nergens aan hechten. Ik heb de dekens, lakens en de molton van het matras gerukt, het matras zelf en de beddenplanken tegen de wand gezet, en het hoofd- en voeteneinde losgeschroefd van de zijkanten. Ik probeerde zoveel mogelijk door mijn mond te ademen. De kamer boven - mijn kamer - had ik al leeggeruimd.
'Wat doe je?' vroeg hij.
'Je gaat verhuizen,' zei ik.
'Ik wil hier blijven.'
'Nee.'
Hij mocht zijn bed houden. Eén helft van het bed is al meer dan tien jaar koud, maar de onbeslapen plek wordt nog steeds bekroond met een kussen. In de kamer boven schroefde ik het bed weer in elkaar, het voeteneinde naar het raam toe. Onder de poten plaatste ik klossen. Ik maakte het bed op met schone lakens en twee schone kussenslopen. Daarna droeg ik vader de trap op. Vanaf het moment dat ik hem uit de stoel haalde, keek hij me aan en hij bleef dat doen tot ik hem in bed legde, en onze gezichten elkaar bijna raakten.
'Ik kan zelf lopen,' zei hij, toen pas.
'Nee, dat kan je niet,' zei ik.
Hij zag dingen door het raam die hij niet verwachtte te zien. 'Ik lig hoog,' zei hij.
'Ja. Zo kun je naar buiten kijken zonder alleen maar lucht te zien.'
Ondanks de nieuwe ruimte en de verschoonde lakens en slopen rook het bedompt, rook hij bedompt en schimmelig. Ik zette een van de twee ramen op het haakje. Buiten was het kraakfris en stil, alleen aan de bovenste takken van de kromme es in de voortuin zaten nog een paar verfrommelde bladeren. Heel in de verte zag ik drie fietsers over de dijk gaan. Als ik een stap opzij had gedaan, had hij de drie fietsers ook kunnen zien. Ik bleef staan waar ik stond.
'Haal de dokter,' zei vader.
'Nee,' antwoordde ik. Ik draaide me om en liep de slaapkamer uit.
Vlak voor de deur dichtviel, riep hij: 'Schapen!'
In zijn voormalige slaapkamer lag een rechthoek stof op de grond, iets kleiner dan de maten van het bed. Ik haalde de slaapkamer leeg. De twee stoelen, de nachtkastjes en de kaptafel van moeder zette ik in de woonkamer. In een hoek van de kamer wurmde ik twee vingers onder de vloerbedekking.
'Niet vastplakken,' hoorde ik moeder zeggen, een eeuwigheid geleden, terwijl vader net door de knieën wilde gaan, met een pot lijm in zijn linker- en een lijmkwast in zijn rechterhand, en wij al haast bedwelmd raakten van de scherpe dampen. 'Niet vastplakken, want over tien jaar wil ik nieuwe vloerbedekking.' De achterkant van het tapijt verkruimelde onder mijn vingers. Ik rolde het op en droeg het door het melklokaal naar buiten, waar ik, midden op het erf, opeens niet wist wat ik ermee aan moest. Ik liet het uit mijn handen vallen, op de plek waar ik stond. Een paar kauwen schrokken van de onverwacht luide klap en vlogen op uit de bomen die langs het erf staan.
Op de vloer van de slaapkamer liggen platen hardboard, met de ruwe kant naar boven. Nadat ik snel de stofzuiger door de kamer had gehaald, zette ik de platen, zonder ze geschuurd te hebben, met een brede platte kwast in de grijze grondverf. Toen ik bezig was met de laatste strook, voor de deur, zag ik de schapen.
Nu zit ik in de keuken, te wachten tot de verf droog is. Dan pas zal ik het sombere schilderij van een koppel zwarte schapen van de muur kunnen halen. Hij wil naar zijn schapen kunnen kijken, dus zal ik een spijker slaan in de wand naast het raam en het schilderij ophangen. De keukendeur staat open en de kamerdeur staat ook open, ik kan het schilderij over de kaptafel en de twee nachtkastjes heen vanaf de plek waar ik zit zien hangen, maar het is zo duister en dof dat ik er, hoe ik ook tuur, geen schapen in kan herkennen.
Het regent en de harde wind heeft de laatste bladeren uit de es geblazen. November is niet kraakfris en stil meer. De ouderlijke slaapkamer is nu mijn slaapkamer. Ik heb de muren en het plafond gewit en de hardboardplaten een tweede laag grondverf gegeven. De stoelen, moeders kaptafel en de twee nachtkastjes heb ik naar boven gebracht. Ik heb een nachtkastje naast het bed van vader gezet en de andere spullen in de lege kamer naast zijn slaapkamer opgeslagen. De slaapkamer van Henk.
De koeien staan al twee dagen binnen. Het is onrustig tijdens het melken.
Als de ronde klep aan de bovenkant van de melkwagen open had gestaan, zou vanmorgen de helft van de melk er uitgespoten zijn, als een geiser, zo hard remde de melkrijder voor de opgerolde vloerbedekking die nog steeds midden op het erf ligt. Hij stond zacht in zichzelf te schelden toen ik het melklokaal binnenkwam. Er zijn twee melkrijders, en deze was de oudste, de stuurse. Ik denk dat hij ongeveer van mijn leeftijd is. Nog een paar jaar rijden en dan met pensioen. Mijn nieuwe slaapkamer is, op mijn bed na, helemaal leeg. Ik zal het houtwerk - de plinten, de ramen en de deur - nog een kleur geven. Misschien dezelfde kleur als de vloer, maar daar ben ik nog niet uit. Blauwgrijs heb ik in mijn hoofd; de kleur van het IJsselmeer op een zomerdag die bedreigd wordt door grauwe donderkoppen in de verte.
Er kwamen hier, het zal eind juli of begin augustus geweest zijn, twee jongens langs in kano's. Dat gebeurt niet vaak, de officiële kanoroutes lopen niet langs mijn boerderij. Alleen kanoërs die verder willen komen hier. Ze hadden hun bovenlijven ontbloot, het was warm, de spieren in hun armen en schouders glommen in het zonlicht. Ik stond aan de zijkant van het voorhuis, ongezien, en zag dat ze bezig waren elkaar omver te varen. De peddels kletsten tussen de gele plomp in het water. De voorste kano kwam dwars op de vaart te liggen en raakte met de punt vast in de oever. De jongen keek naar mijn plaats. 'Kijk,' zei hij tegen de andere jongen, een rossige knaap met sproeten en roodverbrande schouders, 'deze boerderij, die is tijdloos, het kan hier aan dit weggetje nu zijn, maar net zo goed 1967 of 1930.'
De rossige jongen nam mijn boerderij, de bomen en het stuk land waar de ezels toen stonden aandachtig in zich op. Ik spitste mijn oren. 'Ja,' zei hij, na lange tijd, 'die ezels, die zijn wel ouderwets.'
De jongen in de voorste kano kwam los van de oever en draaide de punt weer in de vaarrichting. Hij zei iets tegen de andere jongen, iets wat ik niet verstond omdat een tureluur druk begon te doen. Een late tureluur, meestal zijn ze eind juli allemaal verdwenen. De rossige jongen ging langzaam achter hem aan, hij bleef naar mijn twee ezels kijken. Ik kon geen kant op, er was niets aan de kale zijkant van het voorhuis waarmee ik bezig kon zijn. Ik stond er onbeweeglijk en hield mijn adem in.
Hij zag me staan. Ik dacht dat hij iets tegen de andere jongen ging zeggen, zijn lippen gingen van elkaar en hij draaide zijn hoofd. Maar hij zei niets. Hij keek en liet me ongezien voor zijn vriend. Even later sloegen ze de Opperwoudervaart in en dreef de uiteengevaren gele plomp weer naar elkaar. Ik liep de weg op om de jongens na te kijken. Na een paar minuten kon ik hun stemmen niet langer horen. Ik draaide me om en probeerde met hun ogen naar mijn plaats te kijken. '1967,' zei ik zacht, en schudde mijn hoofd. Waarom juist dat jaar? De ene jongen had het jaartal genoemd, de andere, die met de sproeten en de schouders, had het gezien. Het was heel warm die dag, halverwege de middag, bijna tijd om de koeien te gaan halen. Mijn benen voelden onverhoeds zwaar aan en de middag was wezenloos en leeg.
[7-11]
De Volkskrant, vrijdag 24 maart 2006
VADER IS NAAR BOVEN GEDAAN
door Edith Koenders
Boven is het stil is niet alleen een prachtige titel, het is ook een prachtig romandebuut. Auteur Gerbrand Bakker (1962) publiceerde eerder twee etymologische woordenboeken voor beginners en de jeugdroman Perenbomen bloeien wit(1999), die ook in het Duits is vertaald.
Boven is het stil speelt zich af op een boerderij in Noord-Holland. Helmer, een keuterboer van halverwege de vijftig die nog in het ouderlijk huis woont, heeft 'vader naar boven gedaan'. Moeder is al jaren dood. Helmer heeft een leven geleid dat je amper het zijne kunt noemen, maar nu is hij zelf aan de beurt. Schoon schip. Hij richt de ouderlijke slaapkamer en woonkamer opnieuw in. Vader wordt met wat schaarse persoonlijke bezittingen naar de slaapkamer boven verbannen. Ooit was hij een man die vloekte, tierde en schold, nu is hij een ziek vogeltje en is het zijn zoon die bepaalt of hij te eten krijgt en of hij naar de wc mag. 'Wanneer je een gezin hebt, kun je je vader met een gerust geweten wegdoen', denkt Helmer, terwijl hij zijn vader met een mengeling van wrok, weerbarstigheid en plichtsbesef verzorgt.
Bakker schrijft op een buitengewoon subtiele manier over de moeizame relatie tussen Helmer en zijn vader. Het zijn de feiten die spreken. De dialogen zijn eenvoudig, en er wordt alleen het hoogstnoodzakelijke gezegd. (''Haal de dokter', zei vader. 'Nee', antwoordde ik. Ik draaide me om en liep de slaapkamer uit. Vlak voor de deur dichtviel, riep hij: 'Schapen'.') De lezer wordt niet onderschat, Bakker vertrouwt erop dat die ook zonder veel bijvoeglijke naamwoorden of andersoortige toelichting de onderliggende emoties wel zal voelen. En dat klopt.
Helmer heeft het leven geleid dat voor zijn tweelingbroer Henk bestemd was. Maar die is op zijn negentiende verdronken bij een door zijn aanstaande vrouw Riet veroorzaakt ongeluk. Ook verdriet kent een hiërarchie: 'Ik voelde dat ik vergeten zou worden, vader en moeder waren de ouders, Riet de bijna-vrouw, en ik was slechts de broer.'
Hij geeft zijn studie Nederlands op en doet wat van hem verwacht wordt, tot hij ruim dertig jaar later concludeert: 'Ik heb mijn halve leven lang nergens aan gedacht. Ik heb mijn kop onder de koeien gestoken, elke dag weer. Ergens vervloek ik ze, die koeien, maar warm en bedaard zijn ze ook, als je met je voorhoofd steunend tegen hun flanken het melkstelsel onderhangt.'
Zijn leven is pure routine; hij doet het jongvee en voedert zijn twee ezels die altijd samen zijn, net als hij en Henk vroeger. Hij trekt op met de buurjongetjes, drinkt koffie met hun moeder en maakt een praatje met de melkrijder en de veehandelaar ('Voor hij in de cabine stapt, zegt hij: 'Goeie kerst'. Hij is spraakzaam vandaag').
Bakker roept op een schitterende en ingetogen manier de sfeer op van het leven op het Nederlandse platteland, van de mensen die er geboren en getogen zijn, en van de dieren die opgaan in het landschap. Of Helmer nu de wilgen knot, de schapen telt of rondjes schaatst over het Groote Meer, nergens kun je Bakker betrappen op vals sentiment.
Op een dag komt Riet, inmiddels weduwe van een Brabantse varkensboer en moeder van drie volwassen kinderen, langs. Ook zij had een ander leven willen leiden. Nergens wordt uitgesproken wat ze eigenlijk wil (met Helmer trouwen?). Ze vraagt of haar zoon Henk een poosje op de boerderij kan werken. De jongen is lusteloos en labiel. Helmer stemt toe, en de aanwezigheid van deze jonge Henk roept allerlei herinneringen en onderdrukte gevoelens in hem op. De onderhuidse spanning neemt gaandeweg toe. Wat wil de jongen, ziet hij in Helmer een vader, een broer, een mogelijke minnaar?
Helmer raakt ondertussen gefascineerd door Denemarken, daar zijn veel Nederlandse boeren de afgelopen jaren naartoe geemigreerd. Bakker gebuikt dit land bijna als metafoor voor vrijheid en een nieuw leven. Het is een van de elementen die hij telkens laat terugkeren. Zo heeft hij ook een bonte kraai in het verhaal verweven, die als aanzegger van de dood in de es voor het slaapkamerraam van de vader zit. Hij doet het bijna ongemerkt, maar het zijn juist deze kleine motieven die de roman tot zo'n harmonieus geheel maken. Na het overlijden van vader en het vertrek van Henk duikt een oude bekende op, de vroegere knecht. Helmer lijkt eindelijk gehoor te geven aan zijn verlangens. Niet dat hij ineens groots en meeslepend gaat leven, gelukkig niet, maar hij stapt aarzelend uit de rol die hem door het lot was toebedeeld.
De grote kracht van deze roman ligt in de taal, en dan vooral in wat er niet of nauwelijks wordt gezegd. In dat opzicht roept het boek associaties op met Normale dagen van Esther Gerritsen, waarin ook de taal (én het ontbreken daarvan) een belangrijk gegeven is.
Onopgesmukt en liefdevol is de toon van Bakker, die met Boven is het stil een ontroerend verhaal heeft geschreven.
Het Parool, donderdag 13 april 2006
EEN SCHRIJVER IS OPGESTAAN
door Maarten Moll
'Ik heb vader naar boven gedaan.' Zo begint Boven is het stil, het romandebuut van Gerbrand Bakker. In al zijn eenvoud is dit een geweldige openingszin.
Het is geen gekunstelde zin, Bakker probeert geen indruk te maken, zet geen borst op. De eenvoudige, bijna kale, heldere stijl van het boek is de grote kracht van dit goede debuut.
Boven is het stil vertelt het verhaal van Helmer, een 55-jarige Noord-Hollandse boerenzoon. Op een dag besluit hij dat het 'anders' moet. Hij verhuist zijn oude, opgebrande vader naar een slaapkamer boven en neemt zelf de slaapkamer van zijn vader - moeder is al jaren dood - beneden in gebruik. De boerderij is nu van hem.
Deze verwisseling moet een andere verwisseling ongedaan maken. Helmer heeft een tweelingbroer gehad, Henk, met wie hij onafscheidelijk was verbonden, en die 35 jaar eerder op negentienjarige leeftijd bij een ongeluk, veroorzaakt door vriendin Riet, is verdronken. Henk was de lieveling van zijn vader en was voorbestemd de boerderij over te nemen.
Helmer heeft na Henks dood zijn studie Nederlands moeten opgeven, heeft diens plaats ingenomen ('ik werd vaders jongen'), en heeft al die tijd het leven van een ander geleid. 'Zeven maanden later was Henk dood en een paar dagen daarna zat ik met mijn kop onder de koeien. Ik ben er nooit meer onder vandaan gekomen.'
Eindelijk wil Helmer een eigen leven leiden. Hij fantaseert herhaaldelijk over Denemarken, waar boeren nog volop de ruimte (lees: vrijheid!) hebben, maar hij blijft maar steken in zijn bestaan, want hij moet zijn vader verzorgen. De moeizame relatie met zijn vader is een soort running gag in de roman. Helmer behandelt zijn vader bruut. Zo bruut en harteloos dat het wat ongeloofwaardig wordt. Hij laat zijn vader zo'n beetje aan zijn lot over. Hij neemt wraak, denk je dan, maar je leest ook dat Helmer in plaats van met zijn kop onder de koeien ook heel goed met zijn neus in de studieboeken had kunnen blijven zitten. Bakker beschrijft het bijna wrede handelen van de zoon overigens schitterend, dat wel. (En er staat een ontroerende douchescène tegenover het botte gedrag.)
Helmer 'verzorgt' zijn vader en het vee, drinkt koffie met de buurvrouw, trekt wat op met haar zoontjes en maakt heerlijk stugge praatjes met de veehandelaar en de melkrijder.
Uit de beschrijving van die laatste, door Bakker Reviaans aangeduid als 'de jonge melkrijder' - er is ook 'de rossige jongen' in een kano - valt op te maken waarom Helmer nooit een vriendinnetje heeft gehad en steeds alleen is gebleven.
Het mooie aan Boven is het stil is dat Bakker dergelijke onderhuidse gevoelens niet expliciet beschrijft. Bakker laat veel ongezegd en ook dat maakt de roman sterk. Subtiliteit in plaats van uitleggerigheid.
Dan verschijnt Riet op het toneel. Riet, die Henk van Helmer heeft afgenomen. Riet vraagt Helmer of haar zoon Henk (!), met wie het niet zo goed gaat, een tijdje bij hem op de boerderij mag werken. De negentienjarige (!) Henk komt, en zijn verschijning maakt van alles bij Helmer los. Henk krijgt Helmers vader aan de praat en Helmer krijgt, zo lijkt het, zijn broer terug.
Bakker beschrijft op ingetogen wijze hoe Henk Helmers leven overhoop haalt. Het contact met de buurvrouw verwatert, de veehandelaar stopt ermee en ook de jonge melkrijder vertrekt.
Ook Henk zal niet eeuwig blijven, zijn vader zal sterven en dan is Helmer weer geheel alleen.
Als Helmer een schaap uit de sloot probeert te tillen en dreigt te verdrinken (!), redt Henk hem. Het is een louteringsmoment, en nu hij Henk 'voorbij' is en niet lang daarna zijn vader overlijdt, kan hij eindelijk zijn weg gaan. Denemarken gloort.
Boven is het stil is zo'n debuut waarvan je na lezing zegt - en vergeef me de clichés: hier is een schrijver opgestaan; dat maakt heel benieuwd naar zijn volgende boeken.
derecensent.nl, woensdag 19 april 2006
HET DRAMA ACHTER DE GEBEURTENISSEN
door Edwin Fagel
Dit is de recensie over een merkwaardig boek. Het is een boek waarin alles wordt beschreven zoals het is. Het speelt zich af op een doodnormale locatie. Er gebeurt slechts af en toe iets. Maar wat er werkelijk gebeurt, daar lezen we niets over. Dit is de recensie over een boek dat louter is opgebouwd uit suggestie.
Want dit is de recensie over Boven is het stil van Gerbrand Bakker (1962). Het woord 'stil' in de titel is juist gekozen. Stel je het uitgestrekte platteland in West-Friesland voor en een boerderij met wat schapen, wat koeien en wat ezels, een man op leeftijd en zijn vader en wat hoor je? Juist. Hooguit wat gestommel op de trap. Een blatend schaap ergens ver weg. Korte conversatie. Het omspoelen van een kopje. Maar wat we aan geluid missen, winnen we aan beeld. De boerderij stáát midden in het uitgestrekte platteland. De man op leeftijd spoelt het kopje om in de keuken van zijn boerderij. De boer mélkt zijn koeien. Deze alledaagse taferelen worden niet zomaar beschreven, maar ze worden vanzelfsprekend gemaakt; zoals niemand zich als hij naar een film kijkt afvraagt of hij inderdaad die boer wel ziet lopen op het land. Die boer loopt er.
Niet dat er niets gebeurt in het boek. Het relaas van de boer die eigenlijk geen boer wilde zijn (Helmer), maar dit noodgedwongen werd toen zijn tweelingbroer Henk overleed, is niet van dramatiek gespeend. De hardvochtigheid waarmee hij zijn oude vader behandeld, zodra die hulpbehoevend en hulpeloos is geworden, laat niets te twijfelen over. De vader, een stugge boer, heeft het leven van zijn enig overgebleven zoon grondig verpest door deze te sommeren het boerenbedrijf over te nemen. Helmer heeft zijn studie niet af kunnen maken. Heeft nooit een vriendin gehad. Heeft niets van de wereld gezien. Verlangt naar Denemarken sinds hij heeft gehoord dat een collega daar naartoe is verhuisd. Maar komt niet verder dan het uit zijn hoofd leren van de plaatsnamen.
Verder is het allemaal zeer alledaags. Maar door de voortdurende opsomming, en eindeloze herhaling, van al deze alledaagse gebeurtenissen, krijgt de lezer wel heel sterk de indruk dat het wat te betekenen heeft. Maar wat? Wat betekent het, dat zijn buurvrouw hem met de verrekijker bespiedt? Wat lopen zijn buurjongetjes als een soort Peppi en Kokki over zijn erf? Waarom lezen we zo nauwgezet over de praktische bezigheden van Helmer? En, nu we toch vragen aan het stellen zijn, is het allemaal wel zo alledaags wat hier gebeurd? Wat doet die ekster in de boom voor het raam van de oude, stervende vader? Wat heeft het te betekenen dat Riet, het vriendinnetje van de overleden tweelingbroer (die dus eigenlijk de boerin van de boerderij zou worden) hem weer opzoekt? Waarom brengt ze haar zoon, die ook Henk heet, bij Helmer onder? En wat is dat voor relatie met de oude knecht van zijn vader, de enige persoon die Helmer ooit op zijn mond heeft gezoend?
De zon gaat onder in dit boek en de volgende dag weer op. Maar de lezer wordt naarmate de tijd verstrijkt steeds ongemakkelijker. Hij heeft het gevoel getuige te zijn van een onuitsprekelijk drama. Een drama dat zich achter de gebeurtenissen, als achter de gesloten deuren van de boerderij, afspeelt. De vader sterft. Helmer doekt de boerderij op en vertrekt naar Denemarken. De slotzin van het boek, uitgesproken door Helmer, klinkt zowel bevrijdend als beklemmend: 'Ik ben alleen.' Boven is het stil is het verhaal van een leven dat zinloos is. Het is geen ongewoon leven.
U heeft zojuist de recensie gelezen van een merkwaardig boek. Het is een traag boek, langdradig bijna, dat echter meeslepend is en spannend. U zult met dit boek niet weten hoe u het heeft.
Juryrapport Gouden Ezelsoor 2006
Ook dit jaar heeft de jury van het Gouden Ezelsoor, de prijs voor het best verkochte literaire debuut, zich door een flinke stapel boeken heen moeten lezen. Het duurde lang vóórdat de echte winnaar boven water kwam. Het aantal inzendingen was groot.
Een belangrijk criterium voor de toekenning van de prijs is weliswaar het grootste aantal verkochte exemplaren binnen zes maanden na verschijnen van het debuut. Maar minstens zo belangrijk zijn de literaire kwaliteiten. En daaraan ontbrak het - helaas - bij vele van de goedverkochte debuten.
De jury van het Gouden Ezelsoor bestaat niet uit recensenten, niet uit literatoren, maar uit gekwalificeerde 'veel'lezers. De vijf juryleden zijn representatief voor het gemotiveerde lezerspubliek.
Lezers die zich willen laten verrassen door een 'goed' literair boek.
Maar wat is een 'goed' boek? Wat is 'literair'?
Wie het waterdicht kan definiëren, mag het zeggen. Je voelt het pas als je het leest. Als je merkt hoe een boek je weet te intrigeren, vast te houden, te verwonderen. Hoe het een wereld voor je weet neer te zetten, mensen en dingen levend weet te maken, gezichtshoeken opengooit.
Zo'n boek kan de manier waarop je voortaan verder tegen het leven aankijkt, blijvend beïnvloeden.
In die context draagt een 'debuut' altijd een extra verwachting met zich mee. Want wat is er mooier als met een eerste boek een nieuw, onverbiddelijk schrijverstalent blijkt op te staan? Wellicht is het die verwachting die uitgevers ertoe aanzet ieder jaar meer debuten uit te brengen. Die recensenten aanzet die debuten al of niet welwillend te bespreken, en die lezers in de verleiding brengt ze te kopen. Het kan nog wel eens helpen als de debutant een bekende Nederlander - actrice, columnist, tv-maker of scenarioschrijver - is. Maar dat staat nog niet voor literaire kwaliteit, voor zeggingskracht.
Wij, juryleden, hebben ons verbaasd over de vele eendimensionale, overgedetailleerde, naïeve en inhoudsloze debuten.
Dat ze worden geschreven is één. Dat ze worden uitgegeven en soms zelfs tot een verkoopsucces leiden, was ons een raadsel. Om Komrij's verzuchting (deze week in Vrij Nederland) te citeren: 'Ze zijn geschreven met een bezemsteel en hobbelen voort als boerenkarren, vehikels van loze gedachten en ijdele drijfveren.'
Maar gelukkig gebeurde ook dit jaar het wonder. Eén boek dat de andere goedverkochte debuten ver achter zich liet.
Ik wil u de eerste pagina niet onthouden en neem u mee naar een boerderij in het buitengebied, ergens boven Amsterdam. Een plaats waar geen woord te veel wordt gezegd, maar waar tussen de regels van het zwijgzame leven door een oneindig verhaal zichtbaar wordt:
Ik heb vader naar boven gedaan. Het bed heb ik uit elkaar gehaald, nadat ik hem in een stoel heb gezet. Hij bleef in die stoel zitten als een kalf van een paar minuten oud, nog voor het schoongelikt is; met een ongestuurd wankelend hoofd en ogen die nergens aan hechten. Ik heb de dekens, lakens en de molton van het matras gerukt, het matras zelf en de beddenplanken tegen de wand gezet, en het hoofd- en voeteneinde losgeschroefd van de zijkanten. Ik probeerde zoveel mogelijk door mijn mond te ademen. De kamer boven - mijn kamer - had ik al leeggeruimd. 'Wat doe je?' vroeg hij. 'Je gaat verhuizen,' zei ik. 'Ik wil hier blijven.' 'Nee.'
Hij mocht zijn bed houden. Eén helft van het bed is al meer dan tien jaar koud, maar de onbeslapen plek wordt nog steeds bekroond door een kussen. In de kamer boven schroefde ik het bed weer in elkaar, het voeteneinde naar het raam toe. Onder de poten plaatste ik klossen. Ik maakte het bed op met schone lakens en twee schone kussenslopen. Daarna droeg ik vader de trap op. Vanaf het moment dat ik hem uit de stoel haalde, keek hij me aan en bleef dat doen tot ik hem in bed legde, en onze gezichten elkaar bijna raakten.
'Ik kan zelf lopen,' zei hij, toen pas.
'Nee, dan kan je niet,' zei ik.
Hij zag dingen door het raam die hij niet verwachtte te zien. 'Ik lig hoog,' zei hij.
'Ja. Zo kun je naar buiten kijken zonder alleen maar lucht te zien.'
Het is de eerste bladzijde van Boven is het stil van Gerbrand Bakker, winnaar van het Gouden Ezelsoor 2006.
Boven is het stil is, ondanks de kleine wereld, een imponerend en meeslepend verhaal. De jury was onder de indruk van de prachtig gecomponeerde verhaallijn, waarin de wisselwerking tussen verleden
- de tijd van de jongens (de tweeling Henk en Helmer) - en het heden
- de tijd waarin Helmer, inmiddels 55, eindelijk en geleidelijk aan zijn eigen leven in de greep neemt.
Gerbrand Bakker is een waarnemer. Wat hij ziet, weet hij in trefzekere, betekenisvolle woorden te vangen: of het nu de schoonheid is van het Waterlandse landschap of de wijze waarop hij zijn romanpersonages tot leven weet te brengen. Het tweelinggegeven, een thema dat Gerbrand Bakker eerder gebruikte in zijn jeugdroman Perenbomen bloeien wit, is fascinerend uitgewerkt en van een hoog, tijdloos niveau. Datzelfde geldt voor de, op het oog, hardvochtige verhouding van hoofdpersoon Helmer tot zijn langzaam uitdovende vader.
Tussen de regels van dit bijna kale, en tegelijkertijd onwaarschijnlijk beeldende verhaal, is zo veel te voelen. Het is een wereld van niet uitgesproken woorden, van onderhuidse gevoelens, van illusies die voor altijd weggedrukt lijken te zijn maar soms weer boven komen, van teleurstellingen, pijn wegbijten en van verlangen.
Dat het boek mooi is uitgevoerd (goed getypografeerd en genaaid gebonden, zoals het hoort), speelde geen rol voor de jury, maar werd wel opgemerkt en is - samen met het fraaie omslag - een compliment voor de uitgever.
Boven is het stil is voor de jury een gouden debuut dat het Gouden Ezelsoor 2006 in alle opzichten toekomt. Daarmee wil ik Gerbrand Bakker, namens de jury, van harte feliciteren.
Marieke Bemelman, voorzitter
Jury Gouden Ezelsoor 2006:
Herman Arnolds
Marieke Bemelman
Wilma van Engeldorp Gastelaars
Gunilla Knol-Ljungberg
Rob Spee
NRC Handelsblad, 28 juli 2006
HET IS ZON GEMODDER, LEVEN
door Pieter Steinz
Gerbrand Bakker debuteert met een verstild Hollands minidrama
In de zomers rondom de laatste eeuwwisseling had deze bijlage een speciale rubriek voor recensies van boeken die in het literaire hoogseizoen onopgemerkt zijn gebleven. Temidden van de tientallen Nederlandse fictieboeken die wekelijks worden gepubliceerd, ontsnapt er wel eens een juweeltje aan de aandacht van de redactie. Toen, en ook nu nog, al is de inhaalrubriek (Klein Kapitaal) jaren geleden opgeheven. Boven is het stil van Gerbrand Bakker ligt zelfs zo lang in de boekhandel dat het al is bekroond met het Gouden Ezelsoor voor het best verkochte debuut - wat vreemd is omdat Bakker zeven jaar geleden debuteerde met de jeugdroman Perenbomen bloeien wit.
Het past wel een beetje bij Boven is het stil dat het besproken wordt nu alle drukte om Librisprijs, Buddingh-prijs en Gouden Strop, en om de nieuwe boeken van Campert, De Moor en Van Keulen, enigszins is betijd. De tweede roman van Gerbrand Bakker is een verstild drama dat is geworteld in de rust van het Noord-Hollandse platteland. Het Waterland dat Bakker (geboren in Wieringerwaard in 1962) beschrijft, is een soort Jorwerd waar God nog niet verdwenen is en dat alleen bedreigd wordt door de goedbedoelde plannen van de almaar oprukkende natuurbescherming. En in het centrum van dit tijdloze universum bevindt zich Helmer van Wonderen, een 55-jarige man wiens leven stil is blijven staan in 1967, toen zijn tweelingbroer verongelukte en hij zijn studie Nederlands moest afbreken om zijn vader te helpen in de boerderij.
Boven is het stil begint als Helmer zijn invalide en dementerende vader naar boven doet; hij verplaatst de ouderlijke slaapkamer naar de eerste verdieping om zichzelf meer ruimte te geven - ook in psychologisch opzicht, want de verhouding tussen Helmer en zijn vader, die hem nooit voor vol heeft aangezien, is verstikkend. Bij toeval volgt er nóg een breuk met het kabbelende leven: de ex-vriendin van zijn gestorven broer vraagt hem om haar zoon voor een tijdje in huis te nemen; het landleven zal de lethargische postpuber ongetwijfeld goed doen. Grappig genoeg doet de lange logeerpartij ook Helmer goed. Hoe moeilijk ook, de jonge Henk (die net zo heet als Helmers broer) ontpopt zich als de zoon die de vrijgezelle Helmer nooit gehad heeft; en als hij de boerderij weer verlaat en vader Van Wonderen is gestorven, weet Helmer ook beter wat hij met de rest van zijn leven aanmoet.
Veel spectaculairs gebeurt er niet in Boven is het stil, dat een paar maanden uit het boerenbestaan beslaat. Maar dat is geen gemis. In het begin van het boek bouwt Bakker de spanning op met mysterieuze telefoontjes en zelfs een verschijning. Daarna zorgen zowel de verhouding tussen Helmer en Henk als Helmers reconstructie van zijn ongelukkige verleden ervoor dat je blijft doorlezen. Helmer blijkt lamgeslagen in 1967, niet alleen door de dood van zijn tweelingbroer (We hoorden bij elkaar, we waren twee jongens met één lijf [...] Ik doe al zo lang alles op eigen kracht. Ik heb al zo lang een half lijf), maar ook door de verkering die zijn broer kreeg en die het einde betekende van hun aaneengeklonken leven. Dat Helmer zich ongemerkt (en onuitgesproken door zijn schepper) bewust wordt van zijn homoseksuele gevoelens, is een van de verrassingen van de roman.
Toch is de schoonheid van Boven is het stil vooral gelegen in de stijl. Bakker schrijft natuurlijke, droogkomische dialogen en weet zonder omhaal van woorden perfect de sfeer van een schaatstocht op het meer, een ernstig gesprek aan de keukentafel of een wandeling door de wei op te roepen. Maar hij is ook goed in de nuchtere of filosofische oneliner die een pagina kan doen oplichten: November is niet kraakfris en stil meer, Motregen is niet meer dan mist met grootheidswaan, Als je niet beter weet, weet je niet wat je mist, en natuurlijk de zin die als motto voor de roman kan dienen: Het is zon gemodder, leven.
Het is niet moeilijk om te zien waarom Boven is het stil al in de eerste maanden na publicatie twee keer is herdrukt. In een literair landschap vol straatrumoer en grootstedelijkheid, hunkeren heel wat lezers naar de schijnbare rust en de overzichtelijkheid van het plattelandsleven. Noem het escapisme, noem het nostalgie naar het Nederland van ooit, maar de romans die dat bieden - denk aan Siebelinks Knielen op een bed violen of Wieringas Joe Speedboot - beheersen dezer dagen de literaire bestsellerlijsten. Boven is het stil, dat ook nog eens op een Avonden-achtige manier la tendre guerre tussen een zoon en zijn oude vader tekent, is bepaald niet de slechtste titel om aan dat rijtje toe te voegen.
Het is een zaterdag, de zon schijnt en het is windstil. Een heldere decemberochtend waarop alles heel kaal en scherp is. Een heimweedag. Niet naar thuis, want daar ben ik, maar naar precies zulke dagen lang geleden. Dan heet het anders, laat ik het weemoed noemen. Ada zal dat niet begrijpen. Omdat ze niet van hier is, kent ze niet precies zulke dagen lang geleden op deze plek.
Uit: Gerbrand Bakker, Boven is het stil
De roman van Gerbrand Bakker, Boven is het stil, is net zoals het landschap waarin het verhaal gesitueerd is: stil en sober. Bakkers literaire debuut is een oerhollands stilleven, dat in de grote traditie van onze zeventiende- en negentiende-eeuwse schilders, Van Schendels Hollandse romans en gedichten als Marsmans 'Herinnering aan Holland'.
Het leven van de introverte vijftiger Helmer van Wonderen op een boerderij tussen Purmerend en Monnickendam, kenmerkt zich door een geladen bewegingloosheid. Alles wat aanvankelijk in zijn leven bewoog, is tot staan gekomen: zijn geliefde, bij een auto-ongeluk verdronken tweelingbroer Henk, zijn gefnuikte academische studie, zijn zielsverwante moeder die overleden is, de indertijd door zijn vader ontslagen boerenknecht Jaap die Helmer na Henks dood emotioneel gered heeft, en tenslotte zijn gehate, inmiddels hoogbejaarde vader, die op sterven ligt en die door Helmer weliswaar plichtsgetrouw wordt verzorgd, maar die hij tegelijkertijd letterlijk doodzwijgt. De contacten die hij met de buitenwereld heeft, zijn minimaal. Helmer zit vooral 'onder de koeien', een isolement en een onvervuldheid waar zijn onderdrukte en subtiel gesuggereerde homoseksualiteit toe bijdraagt. Uiteraard sluimert er in dit eenzame, afgepaste bestaan een diep verlangen naar een minder passieve band met de wereld en met iemand anders.
En dan roert zich onrust in dit gelaten bestaan. De aanzet tot die omslag wordt al gegeven in de eerste, onvergetelijke zin van de roman: 'Ik heb vader naar boven gedaan.' Vervolgens doet Helmer de doden en bijna-doden, die zijn leven tot dan toe beheerst hebben, in figuurlijke zin 'naar boven', terwijl er dan een 'beneden' ontstaat waar de komst van een bonte kraai nieuwe kansen aankondigt. Helmer onderwerpt niet alleen het woonhuis van de boerderij, maar zijn hele bestaan aan een voorzichtige herinrichting. Hij treedt te voorschijn uit de schaduw van zijn verongelukte broer, en wel door toedoen van een onverwacht contact met diens vroegere geliefde, en vooral met haar zoon, die als knecht op de boerderij komt werken.
Er komt beweging, licht en lucht in Helmers bestaan, maar omdat dit nogal laat in zijn leven gebeurt, blijft de vreugde daarover uiterst ingetogen. Deze lichte toon wordt getemperd door de prachtige bastoon van de roman: de plichtsgetrouwe maar stuurse verzoprging van zijn doodzieke vader. De roman eindigt met een bescheiden perspectief op een zekere levensvervulling. Met de slotzin van de roman, 'Ik ben alleen' bezegelt paradoxaal genoeg Helmers Bevrijding.
Bakker hanteert een tot op het bot gesnoeide taal als instrument om een sfeer van eenzaamheid en verlangen op te roepen. Deze stijl is net als het landschap;onnadrukkelijk en geserreerd, en is bij uitstek geschikt voor de subtiele verbeelding van dit intense polderdrama.
Boekhandelsblad, datum onbekend
HET LIEVELINGSBOEK VAN HADASSAH DE BOER
"Boven is het stilvind ik een opvallend goed debuut van Gerbrand Bakker. Het gaat over een boerenzoon in Noord-Holland die geacht wordt het familiebedrijf over te nemen. De moeilijke verhouding tussen vader en zoon is prachtig beschreven in een mooie stijl zonder enige opsmuk met op de achtergrond het mooie Noord-Hollandse landschap. Het boek mag daarom ook zeker niet in Het Lievelings boek van Noord-Holland ontbreken!"
Schrijver zoekt boer
Verlangen naar oer-Holland uit zich in nieuwe romans.
door: Rob Schouten.
[...] Of deze voorstelling van zaken ook een werkelijke wederopstandig van de plattelandsroman inluidt, bijvoorbeeld in de vorm van een nieuw soort existentiële bewustwording, vraag ik me overigens af. Literair gesproken zijn het geen opzienbarende werken. Misschien wel vanwege het onderwerp doet het allemaal nogal denken aan de gestampte pot. Een pot waarin de smaken nostalgie, traditie en ambitie, aangelengd met wat hedendaagse strijd om het bestaan, de hoofdtoon voeren.
Wat dat betreft lijkt het kalme en ontroerende 'Boven is het stil' van Gerbrand Bakker, waarmee dit golfje moderne plattelandsromans begon, ook direct het hoogtepunt. Wel een revival dus, maar nog geen restauratie.