Uitgeverij Cossee B.V. Amsterdam
22 augustus 1972
In de Sunday Timesvan gisteren een bericht uit Francistown in Botswana. Ergens vorige week kwam midden in de nacht een auto, een wit Amerikaans model, aanrijden bij een huis in een woonwijk. Mannen met bivakmutsen sprongen naar buiten, trapten de voordeur in en begonnen te schieten. Toen ze uitgeschoten waren staken ze het huis in brand en reden weg. De buren sleepten zeven verkoolde lichamen uit de smeulende resten: twee mannen, drie vrouwen, twee kinderen.
De moordenaars leken zwart te zijn, maar een van de buren hoorde hen onder elkaar Afrikaans spreken en was ervan overtuigd dat het blanken waren die hun gezicht zwart hadden gemaakt. De doden waren Zuid-Afrikanen, vluchtelingen die pas enkele weken eerder in het huis waren getrokken.
De Zuid-Afrikaanse minister van Buitenlandse Zaken, om commentaar gevraagd, noemt het bericht via een woordvoerder ‘ongeverifieerd’. Er zal een onderzoek worden ingesteld, zegt hij, om te bepalen of de overledenen inderdaad Zuid-Afrikaanse burgers waren. En wat het leger betreft, een niet nader genoemde bron ontkent dat de Zuid-Afrikaanse strijdkrachten iets met de zaak te maken hebben. De moorden zijn vermoedelijk een interne ANC-aangelegenheid, oppert hij, die getuigt van ‘aanhoudende spanningen’ tussen facties.
Zo komen ze naar buiten, week in, week uit, deze verhalen uit de grensgebieden, moorden gevolgd door laconieke ontkenningen. Hij leest de berichten en voelt zich bezoedeld. Dus dit is waarnaar hij is teruggekomen! Maar waar ter wereld kun je je verstoppen zonder je bezoedeld te voelen? Zou hij zich schoner voelen in de sneeuw van Zweden, terwijl hij op grote afstand over zijn landgenoten en hun laatste capriolen las?Hoe te ontsnappen aan de smerigheid: geen nieuwe vraag. Een oude vraag die knaagt als een rat en niet loslaat, die zijn gemene, etterende wond achterlaat. Gewetenswroeging.
‘Ik zie dat het leger zijn oude streken weer levert,’ merkt hij op tegen zijn vader. ‘In Botswana dit keer.’ Maar zijn vader is te behoedzaam om toe te happen. Als zijn vader de krant pakt, zorgt hij ervoor dat hij regelrecht doorbladert naar de sportpagina’s en de politiek overslaat – de politiek en de moorden.
Zijn vader koestert alleen maar minachting voor heel het continent ten noorden van hen. ‘Paljassen’ is het woord waarmee hij de leiders van Afrikaanse staten afdoet: onbeduidende tirannen die amper hun eigen naam kunnen spellen, zich in hun Rolls met chauffeur van het ene banket naar het andere laten rijden, Ruritaanse uniformen dragen, versierd met medailles die ze zichzelf hebben verleend. Afrika: oord van uitgehongerde massa’s over wie de baas wordt gespeeld door moordzuchtige paljassen.‘Ze hebben ingebroken in een huis in Francistown en iedereen vermoord,’ houdt hij niettemin vol. ‘Hen geëxecuteerd. Inclusief de kinderen. Kijk. Lees het bericht maar. Het staat op de voorpagina.’
Zijn vader haalt zijn schouders op. Zijn vader kan geen woordvormen vinden die veelomvattend genoeg zijn om uitdrukking te geven aan zijn afkeer van, aan de ene kant, schurken die weerloze vrouwen en kinderen afslachten en, aan de andere kant, terroristen die oorlog voeren vanuit veilige havens over de grens. Hij lost het probleem op door zich in de cricketuitslagen te verdiepen. Als reactie op een moreel dilemma is dat zwak; maar is zijn eigen reactie – aanvallen van woede en wanhoop – zoveel beter?
Ooit dacht hij dat de mannen die de Zuid-Afrikaanse versie van openbare orde verzonnen, die het immense systeem van arbeidsreserves en binnenlandse paspoorten en satellietsteden voor zwarten in het leven riepen, hun visie op een tragische misvatting van de geschiedenis hadden gebaseerd. Ze koesterden die historische misvatting omdat ze, geboren op boerderijen of in stadjes in het achterland, en geïsoleerd binnen een taal die nergens anders ter wereld gesproken werd, geen oog hadden voor de omvang van de krachten die de oude koloniale wereld sinds 1945 hadden weggevaagd. Maar zeggen dat ze een historische misvatting koesterden was op zichzelf al misleidend. Want ze lieten zich helemaal niet met geschiedenis in. Integendeel, ze keerden de geschiedenis de rug toe, deden die af als een hele hoop lasterpraat uit de koker van buitenlanders die Afrikaners minachtten en een oogje zouden dichtknijpen als ze werden uitgemoord door de zwarten, tot de laatste vrouw en het laatste kind aan toe. Alleen en zonder vrienden op het afgelegen puntje van een vijandig continent tuigden ze hun vestingstaat op en trokken zich terug achter de muren daarvan: daar zouden ze de vlam van de westerse christelijke beschaving brandende houden tot de wereld uiteindelijk haar verstand weer gebruikte.
In die trant spraken ze, min of meer, de mannen die de scepter zwaaiden over de Nasionale Party en de veiligheidsstaat. En lange tijd dacht hij dat het recht uit hun hart kwam. Maar inmiddels niet meer. Hun gepraat over het redden van de beschaving, zo is hij nu geneigd te denken, is nooit iets anders dan bluf geweest. Achter een rookgordijn van patriottisme zitten ze op ditzelfde moment uit te rekenen hoe lang ze de voorstelling nog draaiende kunnen houden (de mijnen, de fabrieken) voordat ze genoodzaakt zijn hun koffers te pakken, alle belastende documenten te versnipperen en het vliegtuig te nemen naar Zürich of Monaco of San Diego, waar ze onder de dekmantel van holdingmaatschappijen met namen als Algro Trading of Handfast Securities al jaren geleden villa’s en appartementen voor zichzelf hebben aangeschaft als verzekering tegen de dag van de afrekening (dies irae, dies illa).
Volgens zijn nieuwe, herziene denkwijze houden de mannen die het moordcommando naar Francistown hebben gedirigeerd er geen op een misvatting berustende kijk op de geschiedenis op na, en al helemaal geen tragische. Sterker nog, ze lachen waarschijnlijk in hun vuistje om mensen die zo dwaas zijn om er enigerlei kijk op na te houden. En wat het lot van de christelijke beschaving in Afrika betreft, daar hebben ze nooit een minuut van wakker gelegen. En dit – dit! – zijn de mannen onder wier vuile duim hij leeft!
Nog nader uit te werken: zijn vaders reactie op de tijden in vergelijking tot de zijne: hun verschillen, hun (doorslaggevende) overeenkomsten.
1 september 1972.
Het huis dat hij deelt met zijn vader dateert van omstreeks 1920. De muren, deels van baksteen gebouwd maar voor het grootste deel van kleisteen, zijn inmiddels zo rot door het vocht dat omhoog kruipt uit de aarde dat ze zijn gaan brokkelen. Ze isoleren tegen het vocht is een onmogelijke opgave; het beste wat je kunt doen is een ondoordringbare strook beton rond de periferie van het huis aanleggen en hopen dat ze langzaam zullen drogen.
Uit een handleiding voor woningverbetering leert hij dat hij voor elke meter beton drie zakken zand, vijf zakken grind en een zak cement nodig zal hebben. Als hij de strook rond het huis tien centimeter diep maakt, berekent hij, zal hij dertig zakken zand, vijftig zakken grind en tien zakken cement nodig hebben, wat zes keer op en neer rijden naar de bouwmaterialenhandel impliceert, zes volle ladingen in een eentons truck.
Halverwege de eerste werkdag begint het hem te dagen dat hij een fout van rampzalige omvang heeft gemaakt. Of hij heeft de handleiding verkeerd gelezen, of hij heeft in zijn berekeningen kubieke meters met vierkante meters verward. Er zullen heel wat meer dan tien zakken cement plus zand en grind aan te pas komen om zesennegentig vierkante meter beton te storten. Er zal heel wat meer dan zes keer op en neer naar de bouwmaterialenhandel gereden moeten worden; hij zal meer dan alleen maar een paar weekends van zijn leven moeten opofferen.
Week in, week uit mengt hij, met behulp van een schep en een kruiwagen, zand, grind, cement en water; blok voor blok stort hij vloeibaar beton en egaliseert het. Zijn rug doet pijn, zijn armen en polsen zijn zo stijf dat hij nauwelijks een pen kan vasthouden. Meer dan alles vindt hij het werk geestdodend. Toch is hij niet ongelukkig. Wat hij aan het doen is, is wat mensen als hij al sinds 1652 hadden moeten doen, namelijk hun eigen vuile werk. Zodra hij vergeet hoeveel tijd hij opoffert, begint het werk zelfs zijn plezierige kanten te krijgen. Er bestaat zoiets als een goed gelegde plaat, waarvan de goedgelegdheid voor iedereen duidelijk zichtbaar is. De platen die hij legt zullen zijn bewoning van het huis overleven, misschien zelfs zijn tijd op aarde overleven; in welk geval hij in zekere zin de dood te slim af zal zijn geweest. Je zou de rest van je leven kunnen doorbrengen met het leggen van platen, en elke nacht in de diepst denkbare slaap kunnen vallen, vermoeid door de pijn van eerzame arbeid.
Hoeveel van de haveloze werklieden die hij op straat tegenkomt zijn geheime makers van werk dat henzelf zal overleven: wegen, muren, hoogspanningsmasten? Een soort onsterfelijkheid, beperkte onsterfelijkheid, is kennelijk toch niet zo moeilijk te verwerven. Waarom blijft hij dan hardnekkig tekens op papier krassen, in de vage hoop dat mensen die nog niet geboren zijn de moeite zullen nemen ze te ontcijferen?
Nog nader uit te werken: zijn bereidheid zich op halfbakken projecten te storten; de gretigheid waarmee hij zich aan het creatieve werk onttrekt ten gunste van geesteloze nijverheid.
16 april 1973.
Dezelfde Sunday TimesSunday Times die, tussen onthullingen over vurige liefdesavonturen van leraren en schoolmeisjes in plattelandsstadjes, tussen foto’s van pruilende sterretjes in minuscule bikini’s, een boekje opendoet over wreedheden die door de ordetroepen zijn begaan, bericht dat de minister van Binnenlandse Zaken Breyten Breytenbach een visum heeft verleend om terug te komen naar zijn geboorteland en zijn ziekelijke ouders te bezoeken. Een visum wegens familieomstandigheden, wordt het genoemd; het geldt voor zowel Breytenbach als zijn vrouw.
Breytenbach heeft het land jaren geleden verlaten om in Parijs te gaan wonen en gooide kort daarna zijn eigen glazen in door te trouwen met een Vietnamese, dat wil zeggen een niet-blanke, een Aziatische. Hij trouwde niet alleen met haar, maar is, als men de gedichten mag geloven waarin ze voorkomt, hartstochtelijk verliefd op haar. Ondanks dat, zegt de Sunday Times, zal de minister het echtpaar uit mededogen een bezoek van dertig dagen toestaan tijdens hetwelk de zogenoemde mevrouw Breytenbach zal worden behandeld als een blanke, een tijdelijke blanke, een ereblanke.
Vanaf het moment dat ze in Zuid-Afrika arriveren worden Breyten en Yolande, hij tanig en knap, zij teer en mooi, achtervolgd door de pers. Zoomlenzen leggen elk intiem moment vast als ze picknicken met vrienden of peddelen in een bergstroompje.
De Breytenbachs verschijnen in het openbaar tijdens een literair congres in Kaapstad. De zaal is tot de nok gevuld met mensen die zich komen vergapen. In zijn toespraak noemt Breyten Afrikaners een bastaardvolk. Het is omdat ze bastaards zijn en zich schamen voor hun bastaardschap, zegt hij, dat ze hun onwerkelijke plan van gedwongen rassenscheiding hebben bekokstoofd.
Zijn toespraak oogst overdonderend applaus. Kort daarna vliegen hij en Yolande terug naar Parijs, en de zondagskranten hervatten hun menu van stoute stoeipoezen, ontrouwe echtgenoten en staatsmoorden.
Onderzoeken: de afgunst die blanke Zuid-Afrikanen (mannen) koesteren jegens Breytenbach, vanwege zijn vrijheid om over de wereld te zwerven en zijn onbeperkte toegang tot een mooie, exotische sekspartner.
2 september 1973.
In de Empire Cinema in Muizenberg gisteravond een vroege film van Kurosawa, To Live. Een saaie bureaucraat krijgt te horen dat hij kanker heeft en nog maar enkele maanden te leven. Hij is verbijsterd, weet niet wat hij met zichzelf aan moet, tot wie hij zich moet wenden.
Hij gaat ergens theedrinken met zijn secretaresse, een bruisende maar onnozele jonge vrouw. Als ze probeert weg te gaan, houdt hij haar tegen door haar bij de arm te grijpen. ‘Ik wil net zo zijn als jij!’ zegt hij. ‘Maar ik weet niet hoe!’ De naaktheid van zijn smeekbede wekt haar afkeer.
Vraag: Hoe zou hij reageren als zijn vader zijn arm zo vastgreep?
13 september 1973.
Van een uitzendbureau waar hij zijn gegevens heeft achtergelaten krijgt hij een telefoontje. Een klant is op zoek naar deskundig advies inzake taalkwesties, betaalt per uur – is hij geïnteresseerd? Wat voor soort taalkwesties?, informeert hij. Dat kan het bureau niet zeggen.
Hij belt het opgegeven nummer, maakt een afspraak om naar een adres in Seepunt te gaan. Zijn klant is een vrouw van in de zestig, een weduwe wier man deze wereld heeft verlaten en het leeuwendeel van zijn aanzienlijke erfenis heeft toevertrouwd aan een trust die wordt beheerd door zijn broer. Furieus heeft de weduwe besloten het testament aan te vechten. Maar beide advocatenkantoren die ze heeft geraadpleegd hebben haar afgeraden dat te proberen. Het testament, zeggen ze, is waterdicht. Desondanks wil ze van geen opgeven weten. De advocaten, zo is haar overtuiging, hebben de formulering van het testament verkeerd gelezen. Nu zoekt ze haar heil niet meer bij advocaten, maar bij een deskundige op taalgebied.
Met een kop thee bij zijn elleboog leest hij het testament aandachtig door. De strekking laat niets te raden over. De weduwe krijgt de flat in Seepunt en een som geld. De rest van de erfenis gaat in een trust ten bate van zijn kinderen uit een eerder huwelijk.‘Ik ben bang dat ik u niet kan helpen,’ zegt hij. ‘De formulering is ondubbelzinnig. Het kan maar op één manier gelezen worden.’
‘En hier dan?’ zegt ze. Ze buigt zich over zijn schouder en priemt met een vinger in de tekst. Haar hand is heel klein, haar huid gevlekt; aan de derde vinger prijkt een diamant in een extravagante zetting. ‘Waar Niettegenstaande het tevoren gestelde staat.’‘Dat betekent dat als u kunt aantonen dat u in financiële nood verkeert u bevoegd bent een beroep op de trust te doen voor steun.‘
‘En dat niettegenstaande dan?’
‘Dat betekent dat wat in deze clausule wordt gesteld een uitzondering is op wat eerder is gesteld en daarboven prevaleert.’
‘Maar het betekent ook dat de trust mijn aanspraak niet kan tegenstaan, zich er niet tegen kan verzetten. Wat betekent tegenstaan anders?
’‘Het gaat er niet om wat tegenstaan betekent. Het gaat erom wat Niettegenstaande het tevoren gestelde betekent. U moet de zinsconstructie in haar geheel nemen.’
Ze snuift ongeduldig. ‘Ik neem u in de arm als deskundige op taalgebied, niet als advocaat,’ zegt ze. ‘Het testament is geschreven in taal, in woorden. Wat betekenen die woorden. Wat betekent niettegenstaande?’
Die vrouw is gek, denkt hij. Hoe red ik me hieruit? Maar natuurlijk is ze niet gek. Ze is alleen maar in de greep van woede en begeerte: woede jegens de man die haar ontglipt is, begeerte naar zijn geld.
‘Zoals ik de clausule begrijp,’ zegt ze, ‘kan als ik een vordering indien niemand, ook mijn zwager niet, zich daartegen verzetten. Want dat betekent niet tegenstaan: hij kan zich niet tegen me verzetten. Wat heeft het anders voor zin om dat woord te gebruiken? Begrijpt u wat ik bedoel?’
‘Ik begrijp wat u bedoelt,’ zegt hij.
Hij verlaat het huis met een cheque van tien rand op zak. Zodra hij zijn rapport heeft overgelegd, zijn deskundigenrapport, waaraan hij een kopie zal hebben gehecht van het door een bevoegde instantie gewaarmerkte diploma dat hem als een deskundig commentator kwalificeert inzake de betekenis van Engelse woorden, inclusief het Engelse woord voor niettegenstaande, zal hij de resterende dertig rand van zijn honorarium ontvangen.
Hij legt geen rapport over. Hij laat het geld dat hem toekomt schieten. Als de weduwe belt om te vragen wat er loos is, legt hij rustig de hoorn op de haak.
Trekken van zijn karakter die uit het verhaal naar voren komen: (a) integriteit (hij weigert het testament te lezen op de manier die zij van hem verlangt); (b) naïviteit (hij laat de kans lopen om wat geld te verdienen).